Al dagen drijf ik in een soort van niets. Eentonigheid stuwt mijn dag van uur naar uur tot de avond valt. Als de zon de hemel kleurt in al zijn woestijn-pastel-tinten vol opgewaaid stof denk ik: weer een dag om.
De winter begint te vervagen, de dagtemperatuur stijgt alweer tot tegen de 40ºC en hoewel de nachten nog koel zijn met 17º is het vreemd weer. Soms waaien stofwolken hoog op en vormen zich kleine wervelstormen. Soms is de wind guur en kil, en wil je ondanks de hete zon een vest. En soms is het doodstil, bijna smeltend, trillende lucht boven de mangrove die een vage geur van verrotting afgeven, geen zuchtje wind, geen vogel te horen, geen blaffende honden. En dan opeens neemt de wereld weer een hap adem en komt alles weer tot leven, inclusief het eeuwige stof.
En tussen dat alles loopt mijn dag, elke dag zijn eigen unieke tempo. Soms is het opeens al middag en soms kijk ik 10x op mijn telefoon om te zien dat er amper 15 minuten verstreken zijn.
Je zou denken dat ik heel druk ben, er is immers een huis gekocht, en een project om te starten, maar we zitten in zo'n schemergebied van contracten waarin niemand haast lijkt te hebben. En wachten en geduld lijken sleutelwoorden deze dagen.
Ik dobber wat rond, met of zonder vest aan, in stofstormen onderweg naar de supermarkt, of in de kilte met koffie gezellig samen met de morgensterren, of bakkend in de hitte terwijl ik op weg ben naar niets, om daar tijd door te brengen in de hoop dat alles wat versneld zodat ik kan meevaren in een stroomversnelling. Maar dit is Mexico, en ik woon in een woestijn, er zijn hier geen stroomversnellingen, niet buiten het regenseizoen in ieder geval. En dus is het geduld wat de toon van de muziek maakt.
Ik schrijf artikelen voor de andere website, en plan het allemaal in, in een volautomatisch systeem zodat ik er straks, als de maalstroom op gang komt er geen omkijken naar heb.
Ik teken een plattegrond van "maybe if"......ik kijk in de lijsten met meubels wat ik eerst moet kopen en wat kan wachten tot ik echt in het definitieve huis trek. Ik dwaal rond in tegelwinkels en droom over wat zou kunnen.
Ik eet een ijsje, een gepofte aardappel met sirloin, ik drink agua de jamaica, en kijk hoe de fan rondjes draait door de warme lucht. Ik kijk naar toeristen die rondzwerven over de boulevard, soms met een verloren bijna verrwilderde blik in hun ogen en denk: jullie gaan allemaal weer naar huis over een paar dagen, maar ik niet. Ik drijf hier rond, in een soort van niets.
Ik pas me aan aan het ritme van het land, van de stad. En ik herinner me Merida en hoe ongelukkig ik daar was. De snelheid en drukte van die vieze stad vol uitlaatgassen en plakkerige stomende hitte en sacherijnige mensen. En ik kijk om me heen in deze stad, oh ja, stofstormen genoeg, maar als de wind gaat liggen is de lucht straks blauw, helder, en de koele ochtendlucht voelt schoon en is bijna knapperig vers. Ik de mensen zijn langzaam, kalm, en hebben een eigen ritme in een op hol geslagen wereld, en ik pas me aan aan dat ritme, en drijf in het niets, kijk hoe het gras groeit, hoe de zee oneindig op de kust rolt, hoe het stof wat opgewaaid is weer gaat liggen en ik wacht........
op morgen.